Strafrechtadvocaat Groningen

Vissers Vriend

Onlangs las ik dat Joost Eerdmans voor de tweede maal een wetsvoorstel heeft ingediend dat beoogt minimumstraffen in te voeren voor de meest ernstige delicten die ons rechtssysteem kent: moord en doodslag. Met dit soort geneuzel probeert hij in te spelen op geluiden van verontwaardiging in de maatschappij over vermeende lage straffen. Gezien de positie van de LPF in de peilingen zal deze oprisping waarschijnlijk een van de laatste stuiptrekkingen van die partij zijn. Dat is maar goed ook. De politiek dient zich te onthouden van verregaande bemoeienissen rond de strafoplegging door de rechter, zeker als deze gevoed worden door emoties.

Gelukkig heeft de rechter in het huidige wettelijke systeem een zeer grote mate van vrijheid bij het bepalen van straf. De ene zaak is ook de andere niet. Dat de rechter op prudente wijze met deze vrijheid omgaat, blijkt wel uit de reacties van bijvoorbeeld de lezersjury van het Dagblad van het Noorden. Een van die juryleden zei destijds na afloop van de eerste zaak – een poging doodslag – die in dit kader werd bijgewoond: ‘Ik vond de straffen altijd aan de lage kant. Maar nu ik alle details heb gehoord, moet ik die mening bijstellen.’

Alvorens straf op te kunnen leggen beoordeelt de rechter onder meer of diverse wettelijke voorschriften op de juiste wijze zijn toegepast. Soms leidt dat tot een voor het publiek schijnbaar ongewenst resultaat. Die regels zijn er echter niet voor niets. Ze dienen bijvoorbeeld de burgers te beschermen tegen willekeurig en ongefundeerd optreden van de overheid. Ook kunnen ze dienen ter bescherming van de privacy of andere fundamentele rechten.

Ik denk dan aan Peter. Peter is een hoogblonde jongeman van een jaar of vijfentwintig wiens pad veelvuldig dat van justitie kruist. Inmiddels wel een keer of dertig. Meestal gaat het dan om goederen die hij zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Peter is namelijk kleptomaan. Ook deze keer verbleef Peter om die reden op het bureau in het gezelschap van een sporttas met voor de verandering eigen spullen. De agent die hem zojuist had verhoord verliet even de ruimte om contact op te nemen met de officier van justitie voor het direct uitreiken van een dagvaarding. Zijn jas liet hij over de stoel hangen bij Peter. Toen hij enkele minuten later terugkwam bladerde Peter in een notitieboekje dat in een van de zakken had gezeten. Zoveel brutaliteit bracht kennelijk enige emoties los bij de diender. Even vergat hij alle regels, bedacht zich niet, en opende ongevraagd de tas van Peter om deze aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen. En jawel, daarin lag een zakje Fisherman’s Friend hem aan de grijnzen, dat zoeven nog naast het notitieboekje in de jas had gezeten. Tranen sprongen plotsklaps in Peters ogen. ‘Sterk spul hè?’, grinnikte hij. Peter werd nogmaals aangehouden. Het proces-verbaal vermeldde nog: ‘Omwille van de objectiviteit werd de verdachte in de tweede zaak door een collega van eerste verbalisant gehoord’. Peter zei echter niets meer. Met twee dagvaardingen in de tas verliet hij uiteindelijk het politiebureau.

Enige maanden later formuleerde de officier van justitie briesend zijn eis van twee maanden gevangenisstraf. Diefstal van een zakje snoep uit de jaszak van nota bene een agent. Het was een regelrechte schande, waartegen hard moest worden opgetreden. ‘Regels zijn regels’, bracht ik daar tegen in namens Peter. Die regels houden onder meer in dat de politie niet zomaar in andermans tassen mag snuffelen. Simpel gezegd mag dat alleen nadat iemand wordt aangehouden als verdachte van strafbare feiten. Alleen dan is een dergelijke dwangmiddel gerechtvaardigd. Door deze regels te overtreden handelde de politie onrechtmatig. In het geval van Peter moest dit leiden tot uitsluiting van het aldus verkregen bewijsmateriaal, betoogde ik. De rechter honoreerde dit verweer niet. Ook hij liet zich kennelijk leiden door emoties. Ruim acht maanden later wisten de rechters in hoger beroep wel raad met het verweer. Peter werd vrijgesproken. Boosheid bleek voor de agent in kwestie een slechte raadgever geweest te zijn.

Is de maatschappij met zo’n uitspraak gediend, zult u zich misschien afvragen? Ik denk het wel. Emoties zullen namelijk nooit de basis mogen vormen voor het optreden door overheidsorganen, zoals politie en justitie. Laten we dát vooral zo houden.