Strafrechtadvocaat Groningen

De boekenkast

Ooit zei iemand tegen mij: “Als advocaat ben je niet alleen meester in de rechten, maar ook meester in het wachten”. Hij had gelijk. Zittingen lopen regelmatig door onvoorziene omstandigheden uit. Forse wachttijden van meer dan een uur zijn daardoor haast eerder regel dan uitzondering. In dergelijke gevallen neem ik dan een enkele keer plaats in de zittingszaal als publiek. Deels uit nieuwsgierigheid hoe andere advocaten hun zaken aanpakken, maar ook wel gewoon in de hoop op een meer aangename wachttijd. Herman was een voorbeeld van de laatste categorie.

Het was niet de eerste keer dat Herman terecht moest staan. Hij kende het klappen van de zweep, niet in de laatste plaats doordat hij maar liefst 27 jaar verslaafd was aan heroïne. Ook had hij zes jaar mogen opknappen in een Duitse gevangenis, naar zijn zeggen omdat hij een politiecommissaris een rolstoel had ingeschoten. Bij de hulpverlening was hij geen onbekende en dat was nou net de reden dat hij moest voorkomen. Herman werd verdacht van vernieling, mishandeling en bedreiging. Alles was gericht geweest tegen de directeur van een christelijke zorgboerderij waar Herman werd opgevangen.

Toch was Herman geen alledaagse verdachte en de politierechter had dat gelukkig snel in de gaten. Al vlot ontspon zich tussen hen beiden een uitvoerig gesprek over de boeken van Kafka. Herman las veel en gedurende zijn detenties had hij daarvoor ook alle tijd gehad. Zijn liefde voor boeken was misschien wel ontstaan tijdens zijn schoolopleiding; hij had destijds het gymnasium met goed gevolg afgerond. Op zulke momenten vraag ik mij wel eens af: “Waar ging het mis, kan niet iedereen iets dergelijke overkomen”. Bij Herman was het heroïnegebruik zonder twijfel de oorzaak geweest. Overigens was hij daar inmiddels al zo’n 2½ jaar geleden mee gestopt zonder enige hulp van buitenaf, dus ging het eigenlijk de goede kant op. Uiteraard tot aan het feit waarvoor hij nu voor moest komen.

Herman vond zelf, hoewel hij de feiten volmondig erkende, een straf niet echt nodig. Misschien dat als het dan echt moest, een werkstraf ook nog wel iets voor hem was. Van de hulpverlening moest hij in elk geval niets meer hebben en zeker niet van christelijke zorgboerderijen. Of zoals hij zelf zei: “Inmiddels heb ik een grondige hekel aan fundamentele christenen en hun hulpverlening”, om te vervolgen met: “Wat ik nodig heb is een huis, een boekenkast en een kat”. Na dit betoog van Herman kon de officier van justitie het niet laten in zijn requisitoir op te merken zelf soms ook fundamenteel christen te zijn. Wat ik wel wist en Herman niet, was dat deze officier van justitie regelmatig op zondag vanaf de kansel spreekt. “Er zijn twee kanten van de medaille”, sprak de officier van justitie, “En wat mij betreft ligt de nadruk op de kant van de nare feiten”. Hij eiste vervolgens een werkstraf van 40 uur.

De politierechter vonniste uiteindelijk conform de eis en sloot af met de mededeling: “Ik vond het aangenaam om met u te praten”. Herman knikte en verliet met een zichtbaar opgelucht gevoel de zittingszaal. Het was mij in elk geval weer even duidelijk waarom sommige zaken meer tijd nodig hebben dan andere.